Niet voor de zonsondergang. Niet voor de kaasplank. Maar voor het kleine stalen staafje dat in de fles zat — en na een paar van dit soort middagen verbaas je je er niet meer over dat het de show steelt.

Je kent de choreografie uit je hoofd. Iemand brengt de fles tussen de rondes door terug naar de koelkast. Iemand anders sleept de ijsemmer naar buiten, en veertig minuten later ligt er een waterkring op tafel en smaakt het laatste glas alsof het door een smeltend ijsblokje is gegoten.
Jij doet dat allemaal niet. De fles heeft al die tijd voor je gestaan met een slanke stalen staaf in de hals, en schenkt nog steeds koud. Dat is wat mensen opvalt — niet dat je wijn koud is, maar dat jij geen enkele keer van tafel bent gegaan om het zo te houden.
Dan komt de vraag. Elke keer weer. "Oké — wat is dat?"